Nee hoor, wij hebben geen kankerverwekkende stoffen in ons bedrijf

Het is een veelgehoord antwoord wanneer ik vragen stel tijdens een werkplekinspectie of een RI&E. Ik mag er hierbij eigenlijk nooit van uit gaan dat dit antwoord ook de waarheid is. Bedrijven hebben helaas vaak weinig zicht op het gebruik van gevaarlijke stoffen, en op hun kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische (voortplantingsschadelijke) stoffen in het bijzonder. Als ik bij een klant een willekeurige opslagkast van gevaarlijke stoffen opentrek zie ik vaak zo al meerdere producten staan waarvan ik weet dat ze CMR-stoffen moeten bevatten, zoals ethanol, methanol en tolueen.

Vaak is het onbegrip groot en dat begrijp ik ook wel. Het roept veel vragen en frustratie op.
“Er staat helemaal niets over kankerverwekkendheid in het veiligheidsinformatieblad – hoe kunnen we het dan weten?”
“Om welke stoffen gaat het nou precies?”
“Hoeveel schade is al aangericht als we de producten al jaren gebruikt hebben?”

kankerverwekkende stoffenVaak heeft een bedrijf niet eens een registratie van de gebruikte gevaarlijke stoffen. Niemand in het bedrijf weet wat er allemaal in de kasten staat, wie de stoffen gebruikt en waarvoor. En als er al veiligheidsinformatiebladen zijn, zijn het vaak verouderde versies. Het is daarnaast ook moeilijk te achterhalen of er CMR-componenten in bepaalde stoffen zitten. Producenten zetten lang niet altijd netjes in de veiligheidsinformatie dat een onderdeel van hun product een CMR-stof bevat. Maar als werkgever moet je dit juist wel weten, en je moet je werknemers dan ook nog eens hiertegen beschermen.

De wettelijke regels zijn best streng. De overheid gaat er van uit dat een werkgever verantwoordelijk is voor de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers als hij wil werken met bepaalde gevaarlijke stoffen. De werkgever kiest daar zelf voor, verdiend daar geld mee en moet dus op de blaren zitten. De werkgever moet zich er dus voor inspannen om de risico’s te beoordelen en de werkplek veilig te houden. Dat betekent dat er voor kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische stoffen extra regels zijn in vergelijking met andere gevaarlijke stoffen. De nadruk ligt hierbij op vervanging van de CMR-stof, aanvullende registratie-eisen en beoordeling/meting van de werkgerelateerde blootstelling.

Het is een lastig dilemma. Hoe bescherm je je werknemers tegen deze vaak onzichtbare risico’s?

Ik adviseer altijd om het probleem gefaseerd aan te pakken. Je kunt alles niet in een keer oplossen, maar begin met een duidelijk stappenplan voor een aanvullende RI&E waarin je omschrijft hoe je de CMR-risico’s gaat inventariseren, beoordelen en aanpakken. Eerst grip krijgen op de zaak, en daarna verder kijken.

  1. Inventariseren: welke stoffen heb je in huis? Welke stoffen bevatten CMR-componenten? Wie gebruiken deze stoffen? En, ook een belangrijke stap – welke stoffen kunnen weg – start maar eens met een opruim- en weggooiactie.
  2. Beoordelen: wat is de blootstelling aan de gebruikte CMR-stoffen (aard, mate en duur)? Welke stoffen gaan vervangen worden door niet-CMR-stoffen
  3. Aanpakken: beleid opstellen (van inkoop tot afvoer), procedures schrijven, beschermende maatregelen vaststellen, voorlichting geven, toezicht houden. En hoe zorg je ervoor dat het ook in de toekomst goed blijft gaan – borging.

Kunt u dat als bedrijf alleen? Dat hangt er van af. Hoeveel kennis op het gebied van gevaarlijke stoffen heeft u in huis? En als u al kennis bezit, hoeveel hebben deze medewerkers beschikbaar, want dit proces kost vaak veel tijd. Maar u kunt al best veel zelf doen. Begin bijvoorbeeld eens met de zelfsinspectie gevaarlijke stoffen van de Inspectie SZW. De Overheid publiceert daarnaast een lijst met CMR-stoffen en -processen in de Staatscourant.

En komt u er niet helemaal uit, dan mag u natuurlijk altijd ons bellen. Geen probleem.

Ellen Wissink – gecertificeerd arbeidshygiënist

Elke dag 48 nieuwe beroepsziekten

48 beroepsziekten per dagElke dag 48 nieuwe werknemers met een beroepsziekte.

Dat moet een cijfer zijn uit Pakistan zou je zeggen, of in een ander land waar de arbeidsomstandigheden nog verre van optimaal zijn. Nee hoor, het gaat hier echt om Nederland anno 2016!  Elke dag weer 48 nieuwe beroepsziekten, 240 per week, 1.500 per maand, ongeveer 17,5 duizend per jaar.  Kennen we niet allemaal iemand in onze omgeving die ziek is geworden door werk met bijvoorbeeld beroepsastma, burn-out, posttraumatisch stress syndroom, blijvende rugklachten? 

Wordt het dan minder misschien? Zeker niet! Ook vorig jaar waren er net zoveel beroepsziekten In Nederland….. en 15 jaar geleden ook al.

We zijn in Nederland blijkbaar niet in staat om het aantal beroepsziekten terug te dringen. Vinden we het dan niet belangrijk? Daar lijkt het inderdaad op. Van werken kun je nu eenmaal ziek worden. En we lijken dat te accepteren.

De primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van beroepsziekten wordt, door de politiek, primair neergelegd bij werkgevers, zonder adequaat toezicht op naleving en kwaliteit. Dit is in onze ogen de fundamentele vergissing. De werkgever heeft geen groot belang bij het voorkomen van beroepsziekten.

Er is voor bedrijven vaak weinig zichtbaar resultaat op korte termijn wanneer men investeert in het voorkomen van beroepsziekten. Bij beroepsziekten gaat het – anders dan bij arbeidsongevallen- meestal om risico’s die minder direct zichtbaar zijn en minder directe gevolgen hebben, omdat gezondheidseffecten vaak pas op langere termijn optreden.

Dat laatste is ook precies de reden dat dit soort risico’s worden onderschat.

Daarnaast wordt (zichtbaar) gevaarlijk en zwaar werk  vaak uitbesteed aan een steeds groter wordende groep uitzendwerkers en flexwerkers. De kans om controle te krijgen van I-SZW (arbeidsinspectie) is klein. Waarom zouden bedrijven investeren? .. en dat is ook precies wat er gebeurt in de praktijk.

“Beroepsziekten” vraagt om een collectieve bewustwordings-  en mentaliteitsverandering, waarbij we net zoals bij arbeidsongevallen, niet meer accepteren, dat er dagelijks nog  48 nieuwe  beroepsziekten ontstaan.

Vooralsnog lijkt het er op dat de politiek, werkgeversorganisaties en beleidsmakers de andere kant uit kijken en het voorkomen van beroepsziekte niet belangrijk genoeg vinden

Daarmee komen de gevolgen van een beroepsziekte eenzijdig bij de slachtoffers te liggen.

“Gezondheid is te belangrijk om alleen aan de markt over te laten”. Dit hebben we al eerder kunnen zien, tijdens de aanpak van het torenhoge ziekteverzuim in Nederland. Door een stelselwijziging (Wet Poortwachter) zijn  bedrijven wel maximaal in beweging gekomen  om verzuim terug te dringen, omdat de financiële gevolgen direct merkbaar waren.

Het succes van deze wet wordt nationaal en internationaal herkend. Deze lijn kan 1 op 1 worden doorgevoerd naar beroepsziekten.

Door: Jolanda Willems, Rik Menting,  Remko Houba coöperatie PreventPartner.